Dina-Perla Portnaar: God is geen projectiescherm, maar een open ruimte waarin we onszelf leren kennen

God hoeft niet bevrijd te worden uit een externe gevangenschap. God zit vast in de mentale constructies die we zelf hebben opgetrokken. Door de geschiedenis heen hebben we onze morele categorieën, angsten, verlangens, schuld en agressie geprojecteerd op het hoogste principe dat we ons konden voorstellen. Het resultaat is een godsbeeld dat niet zozeer openbaart wat God is, maar onthult wie we zelf zijn.

Projectie is een structureel mechanisme van bewustzijn. Het stelt ons in staat om innerlijke spanningen te externaliseren zodat ze hanteerbaar blijven. Wat te bedreigend is om te erkennen als deel van onszelf, wordt zichtbaar gemaakt als iets buiten onszelf. In persoonlijke relaties leidt dit tot misverstanden, vervreemding en conflict. Op collectief niveau krijgt projectie een mythische schaal en vormt ze ideologieën, religies en vijandbeelden.

Dat mechanisme zien we vandaag terug in hoe maatschappelijke conflicten worden voorgesteld als strijd tussen absolute goedheid en absolute slechtheid, bijvoorbeeld in verharde debatten over migratie, veiligheid en nationale identiteit. Waarin complexe sociale realiteiten worden samengebald tot een moreel te bestrijden tegenstander.

Wanneer een samenleving projecties institutioneel vastlegt, ontstaat morele blindheid. Dit omdat het kader waarin ze waarnemen al vervormd is. Binnen zo’n kader lijkt geweld noodzakelijk, onderdrukking rationeel en lijkt uitsluiting gerechtvaardigd. Het kwaad wordt altijd elders gelokaliseerd.

De huidige dynamiek van sociale media versterkt dit proces. Algoritmen belonen morele verontwaardiging, waardoor afwijkende stemmen niet worden onderzocht maar verdacht gemaakt en nuance al snel wordt ervaren als moreel falen. Ondertussen vinden extremisten in alle soorten en maten elkaar ook via sociale media en weten ze de haat en complotten gezamenlijk te versterken.

Diezelfde dynamiek heeft zich diep in onze religieuze tradities genesteld. Het godsbeeld dat daaruit voortkomt, heeft een dubbel karakter. Aan de ene kant belichaamt het onze hoogste waarden, zoals liefde, rechtvaardigheid en barmhartigheid. Aan de andere kant legitimeert het onze donkerste impulsen, zoals wraak, jaloezie en vernietiging. Het goddelijke wordt zo een vergroot menselijk ego met kosmische macht.

We zien dit vandaag wanneer religieuze taal opnieuw wordt ingezet om nationale, territoriale of ideologische claims te heiligen. Waarbij God niet langer uitnodigt tot zelfonderzoek, maar functioneert als moreel schild tegen kritiek. We zien dit bij extremisten die de planeet willen domineren met eigen wetten en die zo openlijk als maar kan oproepen tot de uitroeiing van andere religies, inclusief de mensen die daaronder vallen.

Een God die bevolkingen straft, oorlogen sanctioneert en loyaliteit afdwingt door angst is geen transcendente werkelijkheid, maar een psychologisch construct. Wat we daar vereren, is onze behoefte aan politieke en demografische orde en controle. Wat we dan vrezen, is onze schaduw. De theologische vraag verschuift dan van wat God is naar wat wíj nodig hebben dat God is.

Dit patroon wordt ook weer zichtbaar wanneer geweld in het nieuws wordt verdedigd als ‘onvermijdelijk’ of ‘noodzakelijk’ en tegenstanders niet langer als mensen verschijnen maar als abstracte categorieën die moreel geen bestaansrecht meer hebben. Inderdaad, dit geldt voor een heleboel concrete conflicten van dit moment.

God bevrijden, betekent deze verwarring doorzien en begrijpen van waaruit de bestaande religieuze werken eeuwen geleden zijn opgesteld. Het betekent erkennen dat het heilige niet kan worden samengebald in menselijke categorieën van goed en fout of schuld en beloning. Zodra we dat proberen, reduceren we het oneindige tot een moreel instrument. Dat instrument wordt vervolgens ingezet om onze angsten te reguleren. Of, zoals ik in mijn aankomende roman Memos from the Edge schrijf: God bestaat voorbij religie.

De prijs van die reductie is existentieel. Wie zijn eigen duisternis niet erkent, zal die bestrijden in de ander. Dit geldt evengoed voor het licht. Wie zijn eigen agressie niet integreert, zal die moreel legitimeren. Zo ontstaat een wereld waarin conflicten worden gevoerd uit naam van ‘de wil tot dominantie’, terwijl die in wezen voortkomen uit onvermogen tot zelfonderzoek.

De toename van polarisatie, complotdenken en radicalisering in westerse samenlevingen laat zien hoe angst en woede steeds opnieuw worden geprojecteerd op specifieke groepen, met als gevolg een groeiende normalisering van ontmenselijking. Het is oude wijn in nieuwe zakken.

Daartegenover staat een ander verstaan vanuit liefde. Niet liefde als emotie of bezit, maar als de fundamentele structuur van de werkelijkheid. Liefde als datgene wat verbindt zonder te verslinden. Liefde als overvloed eerder dan schaarste. In dat perspectief hoeft liefde niet verdedigd te worden, omdat ze zichzelf draagt. Dit inzicht ondergraaft het denken in rivaliteit. Wie leeft vanuit het idee van eindige liefde zal altijd concurreren om aandacht, erkenning en bestaansrecht. Wie leeft vanuit oneindige liefde hoeft geen ander te ontmenselijken om zichzelf te bevestigen.

Die denkwijze herkennen we in hedendaagse discussies waarin erkenning van het lijden of de geschiedenis van de ene groep wordt ervaren als bedreiging voor de ander, alsof waardigheid een schaars goed is. Wat zou ik willen dat we in één klap deze ellende overslaan en in een collectief bewustzijn van driehonderd jaar voorbij deze tijd zitten.

Bewustzijn dat vaak Christusbewustzijn wordt genoemd, verwijst niet naar dogma (althans niet in de mystieke tradities waar ik me door laat voeden), maar naar een radicale verschuiving in waarneming. Het is het blijvende besef dat ieder wezen drager is van intrinsieke waarde. Niet omdat het moreel handelt, maar omdat het bestaat. Dat besef sluit het bestaan van kwaad niet uit, maar weigert het te reduceren tot identiteit.

Juist het recente oplaaien van antisemitisme in Europa maakt bijvoorbeeld pijnlijk zichtbaar wat er gebeurt wanneer mensen worden herleid tot symbool, collectieve schuld, of ideologisch strijdpunt, in plaats van erkend als individuele dragers van waardigheid.

Hieruit volgt een ethiek die niet binair is. Liefde is niet gelijk aan passiviteit. Liefde kan bevestigen, samenwerken, herstellen en confronteren. Confrontatie is geen breuk met compassie, maar een noodzakelijke vorm ervan wanneer grenzen worden overschreden. Het criterium ligt niet in de handeling zelf, maar in de innerlijke bron waaruit ze voortkomt.

Handelen vanuit angst produceert meer angst. Handelen vanuit woede produceert meer geweld. Handelen vanuit helderheid opent de mogelijkheid tot transformatie, zelfs wanneer weerstand nodig is. Dat vraagt een volwassen vorm van morele verantwoordelijkheid die verder gaat dan goedbedoelde intenties.

Een van de grootste problemen van onze tijd is dat kennis losgeraakt is van wijsheid. We beschikken over ongekende informatie, maar missen een samenhangend kader waarin die betekenis krijgt. Zonder innerlijke integratie wordt kennis instrumenteel. Technologie ontwikkelt zich sneller dan ethiek. Macht groeit sneller dan zelfreflectie.

De snelle inzet van kunstmatige intelligentie, surveillancetechnologie en autonome wapensystemen illustreert hoe besluitvorming steeds technischer wordt, terwijl fundamentele vragen over mensbeeld en verantwoordelijkheid achterblijven.

Dit gebrek aan integratie manifesteert zich op alle niveaus. In gezinnen, organisaties, staten en uiteindelijk op planetaire schaal. Overal waar het zelf wordt opgevat als afgescheiden entiteit ontstaat strijd om middelen, status en identiteit. Die strijd wordt moreel aangekleed, maar blijft structureel hetzelfde. Een verschuiving in zelfbegrip is dus broodnodig. Van het autonome ego naar het relationele zelf. Van identiteit als grens naar identiteit als verbinding.

God bevrijden, betekent onze projecties terugnemen. Niet door ze te ontkennen, maar door ze te integreren. Het betekent verantwoordelijkheid dragen voor wat we zien in de wereld. Pas wanneer we erkennen dat het kwaad dat we bestrijden ook door ons heen kan lopen, ontstaat de mogelijkheid tot werkelijke verandering.

Een spiritualiteit die die beweging niet maakt, zal altijd bondgenoot worden van geweld. Dat is de afgelopen jaren pijnlijk zichtbaar geworden. Deze vorm van spiritualiteit verdedigt dominantie ten koste van menselijkheid en gebruikt het absolute om het relatieve te overheersen. We zien dit wanneer religieuze of spirituele taal wordt ingezet om agressie te rechtvaardigen, terwijl elke oproep tot zelfkritiek wordt weggezet als verraad of naïviteit.

Een spiritualiteit die die beweging wel maakt, verliest vijanden en constructies zoals ‘het definitieve oordeel’ automatisch. Niet omdat conflicten verdwijnen, maar omdat ontmenselijking ophoudt. Deze vorm erkent de complexiteit van het bestaan zonder haar steeds opnieuw te reduceren tot letterlijke lezing van ‘heilige’ teksten of vastgelegde godsbeelden.

In zo’n perspectief is God geen autoriteit die gehoorzaamheid eist en met een afrekening komt, maar een diepte die uitnodigt tot bewustzijn. Geen morele boekhouder maar een levende relatie. Geen projectiescherm maar een open ruimte waarin we onszelf leren kennen. Dat is geen comfortabele weg. Het vraagt voortdurende zelfondervraging. Het vraagt dat we onze zekerheden loslaten zonder te vervallen in relativisme, en dat we de moed hebben om zonder vijand te leven.

Het alternatief kennen we inmiddels maar al te goed: meer projectie, meer polarisatie en steeds opnieuw heilige rechtvaardigingen voor geweld. Wie het nieuws volgt, ziet dagelijks de gevolgen daarvan. Als mensheid staan we voor een keuze die geen ideologisch probleem vormt, maar een existentiële kwestie. Of we blijven God gebruiken om onszelf te ontlopen, of we bevrijden God door eindelijk verantwoordelijkheid te nemen voor wie we zijn. Met andere woorden, het is aan ons.

Geef een reactie

Ontdek meer van PoppenCast

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder